Joepie, vakantie! De grote zomeruittocht is begonnen … maar niet voor iedereen. Jaarlijks onderzoekt het NIS (Nationaal Instituut voor Statistiek) het gezinsverbruik van goederen en diensten. Het huishoudbudgetonderzoek, zo heet dat heel plechtstatig. En daarin vinden we heel interessante informatie terug … die onze vermoedens bevestigt: ook inzake vrijetijdsbesteding en vakantie zijn de armen opnieuw de pineut.
Jaarlijks stijgt het gemiddeld vakantiebudget voor gezinnen. In 1998 – amper vijf jaar geleden – was het gemiddeld bedrag van een lange vakantie in België ca. 212 Euro, voor een vakantie in het buitenland is 619 Euro. Voor respectieve korte vakanties was dat 67 en 174 Euro. De gemiddelde uitgaven per persoon en per vakantie bedroeg 374 Euro.
Vakantiebudget Ondanks de achteruitgang van de toerismesector (crisis luchtvaart, 11 september, …) blijft de Belg op vakantie gaan. In 2002 registreerde men zelfs een lichte verhoging van het totaal aantal vakantiereizen met 0,7 %. Ook de prijzen blijven stijgen, dus ook het budget dat aan vakantie besteed wordt. Omdat heel wat vervangingsinkomens dezelfde trend niet volgen, vergroot de kloof dus nog tussen vakantierijken en vakantie-armen.
Maken we even de vergelijking met die andere vrijetijdsbesteding: sporten. Uit de Gezondheidsenquête 1997 van het WIV (samenwerking met NIS en Limburgse universiteit) blijkt dat de mate waarin sportbeoefening toeneemt, evenredig loopt met de mate waarin het inkomen toeneemt. Hoe rijker men is, hoe meer men sport. Mensen met een laag inkomen besteden dus aanzienlijk minder aan deze vorm van vrijetijdsbeoefening.
Vakantieparticipatie Kijken we nog eens naar nog een ander onderzoek van het NIS: Toerisme Reisonderzoek 2002. Dit onderzoek staat stil bij de netto vakantieparticipatiegraad (aantal vakantiegangers per 100 inwoners). Voor Vlaanderen bedraagt die 47 %. Voor lange vakanties is die nog lager 43 %. En voor lange vakanties in het buitenland zakt die nog tot 35 %. Nochtans stijgt het aantal lange buitenlandse vakanties gestaag, maar dus blijkbaar niet voor iedereen.
Onderzoek van het WES toont weliswaar hogere percentages (en een andere definitie) en een aanzienlijke stijging over de voorbije twintig jaar (meer dan 13 %). Globaal participeert nog een groot aantal van de Vlamingen netto niet aan de definitie die in deze onderzoeken aan vakantie wordt gegeven. De kloof groeit verder …
Armoede betekent ‘geen vakantiebudget’ Samengevat zien we dat een Vlaams gezin gemiddeld 3 % van het jaarinkomen aan toeristische reizen besteed. Rekenen we dit even door: dat betekent ongeveer 280 Euro. Dus ook voor financieel zwakkere gezinnen, want het is een gemiddelde. Zij kunnen nauwelijks levensnoodzakelijke goederen kopen. In de praktijk hebben zij dus eigenlijk geen budget voor vakantie.
De Europese armoedenorm gaat ervan uit dat je arm bent als je minder verdient dan de helft van het gemiddeld inkomen van je landgenoten. Voor België werd berekend dat gezinnen, afhankelijk van de gezinsgrootte, in totaal 300 tot 500 Euro kunnen besteden aan vakantie. Maar ook hier geldt een hogere drempel voor financieel zwakkere gezinnen omdat een dergelijk groot bedrag toch voor andere zaken gebruikt kan worden.
Er bestaan gespecialiseerde verenigingen die financieel zwakkere gezinnen als doelgroep hebben. Wanneer een vakantie in totaal 50 Euro per volwassene en 35 Euro per kind kost, zijn zij relatief succesvol in hun doelstelling.
Sociaal Toerisme Sociaal toerisme is evenwaardig aan andere toerismevormen en onderscheidt zich door de bijzondere aandacht voor drempelverlagende inspanningen voor wie gehinderd wordt in volwaardige deelname aan vakantie buitenshuis en dit ongeacht de reden (financieel, zorg, leeftijd). Meest gekend binnen deze overheidsverantwoordelijkheid zijn de zogenaamde erkende centra voor sociaal toerisme, veelal vakantiehuizen van koepels. Eind de jaren ’90 waren zij goed voor ca. 13 % van alle overnachtingen. Dat is toch een aanzienlijk percentage, wat het nut van de sector overduidelijk stelt. Maar nog al te vaak is ook sociaal toerisme te duur of nog te onaangepast. Er moet meer aandacht komen voor éénoudergezinnen, jongeren, gehandicapten en gezinnen met een laag inkomen.
Beleidsevaluatie Is het nieuwe decreet Toerisme voor Allen dan een goede zaak? Zeker en vast. Elke inspanning die de categorieën die in verdrukking komen statistisch een inhaaloperatie kan opleveren, is een stap vooruit. Maar of de uitwerking van het decreet (de uitvoeringsbesluiten) de nobele doelstelling effectief mogelijk maken, is een ander paar mouwen.
Sociaal-toeristische verenigingen (die rechtstreeks vakanties organiseren voor mensen met een laag inkomen) kunnen tot 75 % van de kosten terugbetaald krijgen. Dit moet vakanties voor mensen met een laag inkomen betaalbaar houden. Dat is een stap vooruit, net als de trajectwerking die ook in het beleid werd ingebouwd (samenwerking Steunpunt en OCMW’s en sociale organisaties). Maar er blijft nog altijd minimum één vierde over dat niet gesubsidieerd wordt. En dat blijft een grote hap uit een gezinsbudget.
En dan is er nog de zaak van de afdoende ondersteuning van verenigingen binnen de sector sociaal toerisme. Maar hier zien we dat de subsidiekraan, net als in de gehele sociaal-culturele sector, relatief minder snel druppelt dan vroeger. De organisaties worden dan ook geconfronteerd met herstructureringen en personeelsinkrimpingen.
Het beleid mag niet beperkt worden tot ondersteuning van vierdewereldorganisaties alleen. Neen, er moet ook aandacht gaan naar sociaal gezinstoerisme en groepstoerisme. Het reizen in groep via een vereniging blijft de beste opstap om zoveel mogelijk mensen kansen te bieden. Of dat nieuwe Vlaamse beleid van de voorbije jaren, wars van alle Steunpunten en doelstellingen, de participatie aan vakantie vergroot voor mensen die het moeilijker hebben, is nog maar de vraag …
Klaus Van Hoecke |