Vakantie is allicht ook tijd voor nostalgie. Naar het sociaal toerisme van weleer bijvoorbeeld?
Sociaal toerisme: ooit symbool van onze beginnende welvaart, is kopje ondergedoken en niet meer boven water gekomen. Vreemd? Niet echt. Toerisme Vlaanderen volgt de maatschappelijke ontwikkelingen en investeert tegenwoordig vooral in het toegankelijk maken van vakantie voor zowel mensen met een handicap als die héél laag bemiddeld zijn. Het zogenaamde volkstoerisme voor de brede middengroepen is in de jongste halve eeuw dan ook danig geëvolueerd. Het hoogtepunt, jongens en meisjes lag in de jaren ’60-’70, toen jullie grootouders zich nog economisch aan het ophijsen waren uit de naoorlogse wederopbouwperiode. Er werd hard gewerkt,vrije tijd was nog iets van tussen de zesdagenweken door en voor ‘vakantie’ had de gemiddelde Belg gewoon te weinig geld. Sociale organisaties, hierin gesubsidieerd door de overheid, hebben dan ook de zee, de Ardennen, Zwitserland,… helpen ontdekken. Sindsdien zijn we rijker, veeleisender en meer gewend geworden. Mensen wilden stilaan weg vanonder het dekbed van sociaal bijgekleurde vakanties en gingen kiezen voor het commerciële circuit met Sun- en andere Nekkermannen. We ontgroeiden in feite het sociaal toerisme dat dan ook niet meer is wat het geweest is. Sociaal toerisme werd toerisme, tout court. Voor wie het natuurlijk kon betalen, want vergeet niet: een heleboel mensen zijn wél achtergebleven. De middengroepen gingen erop vooruit, maar de statistieken met roze opwaartse curven mag niet verhelen dat er nog steeds een groep van om en bij de 15% armen en nog meer mensen zonder spaargeld ook de zon wel eens willen zien schijnen. Iedereen wil wel eens buiten de grijze muren van alledag. In die vroegere periode van hard werken en beginnende welvaart werden sociale vakanties gesubsidieerd, o.m. met middelen van ‘Toerisme’ (toen Belgisch, thans Vlaams), en tegelijk gaven ook initiatiefnemende sociale organisaties (mutualiteiten…)wat financiële wind in de zeilen om ‘hun mensen’ op ‘congé payé’ te laten gaan. Er kwamen vakantiehuizen in binnen- en buitenland. Zichtbare democratisering! Goh, waar is de tijd! Sinds ongeveer tien jaar terug is de subsidiebron opgedroogd, nogal gelijklopend met de evolutie in de samenleving. Sommige vakantiecentra kwamen daardoor in moeilijkheden (herinner je o.m. het ooit zo succesrijke Hengelhoef in Limburg). Sociale vakantiemogelijkheden blijven bestaan, beperkter en noodgedwongen zelfbedruipender. Aangesloten leden genieten kortingen en richten zich tot bewust gekozen doelgroepen. Intersoc bijvoorbeeld, een vzw binnen de CM (Christelijke Mutualiteit), heeft vakantiehuizen in eigendom en in huur (Zwitserland, Zuid-Frankrijk…). Deze worden ten dienste gesteld van gezinnen , groeperingen (KBG – gepensioneerden -, en zelfstandige CRM-groepen) voor huur- of hotelvakanties. En voor een derde luik: de jeugd. Jeugdvakanties , met o.m. jeugdkampen en sneeuwklassen voor het vrij onderwijs. De steun beperkt zich hier evenwel tot logistieke hulp (vervoer, verblijf…). Lange-weekeindverblijven voor de jeugd (Allerheiligen…) vallen daar ook onder. Voor wie het wat minder breed heeft , is er een alternatief: hotels waar de ‘service’ (verzorging) van hetzelfde peil is als de andere, maar met iets minder comfort (bijvoorbeeld minder avondanimatie), voornamelijk bedoeld voor jonge gezinnen. Kinderen onder de zes jaar kunnen er eventueel gratis mee. De beperkingen hebben ook te maken met het feit dat Intersoc en soortgelijke organisaties zelfbedruipend moeten zijn. Logisch dus dat de ‘schroef’ erop moet. Ook bij de ‘Bond Moyson’ vernamen we dat tegemoetkomingen (per dag/verblijf) gedaan worden, voor personeel, wat vakantieverblijven betreft. Naast de mutualiteiten bieden ook werkgevers (zoals de sociale dienst van de steden en gemeenten) sociaal vakantielogement. Hun personeel geniet voordeeltarieven. Sociaal toerisme is een ‘verouderd’ begrip geworden. Jammer dat ‘armoede’ dat nog niet is. Welzo wenst je veel zon, weinig ozon. En stuur tenminste een kaartje naar de achterblijvers!
W.L. |